Dat en meer blijkt uit het vandaag verschenen rapport De arbeidsmarkt
naar opleiding en beroep tot 2016 van het Researchcentrum voor
Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht.
Nieuwe banen
Als werkgevers behoefte hebben aan het
uitbreiden van het personeelsbestand ontstaan ‘nieuwe’ banen. Dit is tot
2016 slechts in beperkte mate het geval voor beroepen buiten de
gezondheidszorg. Baanopeningen kunnen echter ook ontstaan doordat (oudere)
werknemers de arbeidsmarkt verlaten of carrière maken en vervangen moeten
worden door werknemers met vergelijkbare opleiding en ervaring. Bijna negen
op de tien baanopeningen zullen ontstaan als gevolg van de grote
vervangingsvraag van gemiddeld jaarlijks 4% van de werkgelegenheid tot
2016. Dat speelt vooral in de transport- en agrarische beroepen, en het
minst in de informaticaberoepen.
Perspectieven schoolverlaters
In de periode tot
2016 is de gemiddelde jaarlijkse arbeidsmarktinstroom van schoolverlaters
(3,5%) lager dan het percentage baanopeningen (4,1%). Dit verschil leidt
tot 2016 tot een goed tot zeer goed arbeidsperspectief voor een derde van
de schoolverlaters, zo berekende het ROA. De beste perspectieven ontstaan
voor schoolverlaters van zorgopleidingen en technische opleidingen, zoals
bètatechnische opleidingen elektrotechniek op MBO- en HBO-niveau en
werktuigbouwkunde op HBO- en WO-niveau. In de zorgsector ontstaan vooral
kansen op alle opleidingsniveaus vanwege de toenemende behoefte aan zorg.
Voor VMBO-opgeleiden in de zorg is er bovendien sprake van een hoge
vervangingsvraag, en een lage instroom vanuit het onderwijs op de
arbeidsmarkt. Ook voor WO-opgeleiden in de zorg is er vooral sprake van een
hoge vervangingsvraag. Voor werkgevers in de zorg en de techniek betekent
dit dat zij grote tot zeer grote knelpunten in de personeelsvoorziening
mogen verwachten. Door de relatief grote arbeidsmarktinstroom de komende
jaren van schoolverlaters met een economische opleiding, verslechteren de
arbeidsmarktperspectieven op alle opleidingsniveaus voor hen.
Kansrijke beroepen
De beste kansen op een baan zijn
er voor verpleeghulpen en leerling-verpleegkundigen, verplegenden en
doktersassistenten, therapeuten en verpleegkundigen, artsen en medisch
analisten. In de zorgsector kunnen werkgevers zeer grote knelpunten in de
personeelsvoorziening verwachten voor de lagere verzorgende en
dienstverlenende beroepen (zoals ziekenverzorgenden). Binnen de technische
en industrieberoepen groeien naar verwachting de personeelstekorten voor
technisch analisten, werktuigbouwkundigen, weg- en waterbouwkundigen en
grafische vakkrachten. Binnen de pedagogische beroepen ontstaan er grote
knelpunten in de personeelsvoorziening voor onder meer leraren
basisonderwijs, docenten exacte, medische en verzorgende vakken, docenten
landbouw en techniek (2e graads), docenten talen en expressie, en docenten
letteren (1e graads en WO). Binnen de agrarische sector zal het moeilijk
worden om voldoende agrarische vakkrachten, milieuhygiënisten en agrarisch
vertegenwoordigers, en agrarische bedrijfshoofden te vinden.
Opplussen van deeltijdbanen
Voor de technische
opleidingen met grote verwachte personeelstekorten zal een beleid dat zich
richt op het opplussen van deeltijdbanen weinig zoden aan de dijk zetten.
Daarentegen blijkt het tekort aan mensen met een zorgopleiding wel degelijk
terug te dringen als de deeltijdbanen in de zorgsector opgeplust kunnen
worden. Bijvoorbeeld, wanneer alle werkenden in kleine banen met een
zorgopleiding op middelbaar niveau minimaal 24 uur zouden gaan werken, dan
zouden de personeelstekorten in de zorgsector voor 85% verdwijnen. Het
bewerkstellingen dat deze mensen allemaal minimaal 24 uur gaan werken, zal
echter de nodige inspanning vergen.
U kunt het rapport De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot
2016 downloaden of bestellen via de website van het ROA
(www.roa.nl).