Door zijn onderzoek en beschrijving van foetale gedragstoestanden
(slap/waak toestanden) kreeg hij internationale bekendheid. Zijn onderzoek
moet er toe leiden dat we beter begrijpen hoe de foetus “zich voelt” en dat
er minder kinderen met zuurstofgebrek worden geboren.
Sedert 1999 is hij hoogleraar verloskunde in het azM, en sedert 2006 hoofd
van de afdeling Obstetrie & Gynaecologie van het azM. En sinds 2009
directeur bestuurder van de Resultaat Verantwoordelijke Eenheid (RVE)
Erfelijkeheid Voortplanting en het Kind, en de RVE Medisch Interventie
Centrum.
Ook landelijk zet hij zich in voor een verbetering van de kwaliteit van de
verloskundige zorg en heeft daarom zitting in velerlei commissies. Drie
perioden was hij lid van het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor
Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), van 2005-2007 voorzitter.
Hij studeerde geneeskunde aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen van
1970 tot 1979. Tijdens zijn studie was hij student-assistent medische
fysiologie. Na een assistentschap chirurgie, gynaecologie en verloskunde
begon hij in 1980 in het academisch ziekenhuis St. Radboud met een
onderzoek naar “foetaal gedrag. In 1984 promoveerde hij op de beschrijving
en definities van foetale gedragstoestanden die internationale erkenning
kregen. De registratie tot vrouwenarts volgde in 1987, al in 1986 werd hij
aangesteld binnen de staf obstetrie/gynaecologie van het St. Radboud
ziekenhuis. In Reading (UK) legde hij zich toe op dierexperimenteel
perinatologisch onderzoek, in het King’s College Hospital te Londen
werd hij geschoold in de prenatale diagnostiek.
In het St. Radboud ziekenhuis zette hij de afdeling voor prenatale
diagnostiek en therapie op. Daarnaast bouwde hij zijn internationale
bekendheid uit door verder onderzoek naar het foetale gedrag, zowel bij de
mens als dierexperimenteel; hiervoor ontving hij in 1993 de “De Snoo – van
’t Hoogerhuijs” onderscheiding. In 1994 werd hij benoemd tot UHD
obstetrische perinatologie, en in 1995 –na een gedegen managementtraining-
tot hoofd verloskunde. Hij publiceerde talrijke artikelen en meerdere
boeken (“Fetal Behaviour: Developmental and Perinatal Aspects”; “Compendium
Prenatale Zorg”, “Foetale Bewaking” en “Foetale echosopie”). Daarnaast is
hij zeer actief binnen het onderwijs aan studenten en assistenten en binnen
de Nederlandse Vereniging van Obstetrie en Gynaecologie (NVOG). Zo is hij
oud-voorzitter, initiator van vele NVOG-richtlijnen, en van het
“Otterlo-overleg” waarin de Nederlandse perinatologen verenigd zijn, en van
de Nederlandse voortgangstoets voor AGIO’s Ob/Gyn.