De moederkoek (placenta) is genetisch voor de helft van de moeder en
voor de helft van de vader afkomstig. De moederkoek is dus gevormd
uit half lichaamsvreemd materiaal. Dit zou normaal gesproken
betekenen dat de moederkoek, en dus ook het kind, door de moeder
zou worden afgestoten. Gelukkig gebeurt dit niet. Het afweersysteem werkt
tijdens de zwangerschap anders. Daarnaast is de buitenkant van de
moederkoek als het ware omgeven door een soort 'laklaag' die er voor zorgt
dat het lichaam het kind als niet-lichaamsvreemd ervaart. Als deze
'laklaag' beschadigd raakt, kan het lichaam de moederkoek en het kind als
lichaamsvreemd gaan zien. Waarschijnlijk vindt er bij
zwangerschapsvergiftiging een soort beschadiging van die 'laklaag' plaats.
Hoe en waarom dit gebeurt is niet bekend. Een stoornis in deze
afweer speelt echter wel een rol bij het ontstaan van
zwangerschapsvergiftiging.
Dat het afweersysteem een rol speelt wordt duidelijk doordat in een
tweede zwangerschap, waarbij het lichaam gedurende de vorige zwangerschap
heeft kunnen wennen aan het lichaamsvreemde genetische materiaal van de
vader dat aanwezig is in de moederkoek, minder vaak
zwangerschapsvergiftiging voorkomt. Dit geldt echter weer niet als een
tweede of volgend kind van een andere partner is, omdat deze andere
partner ander genetisch materiaal heeft.
Onderzoek heeft aangetoond dat naarmate de vrouw langer een seksuele
relatie met de vader heeft gehad en daarbij in aanraking is gekomen met
zijn zaadcellen ( dus bij geslachts-gemeenschap zonder condoom of bij orale
sex waarbij het zaad wordt doorgeslikt), zij minder kans loopt op het
krijgen van zwangerschapsvergiftiging. Dit bevestigt dat het afweersysteem
een rol speelt.