© 2010 academisch ziekenhuis Maastricht |Disclaimer |Privacy Policy |Sitemap

Stofwisseling

Er zijn een aantal stofwisselingsaandoeningen die kunnen leiden tot meer kans op zwangerschapsvergiftiging.

Stoornissen in de koolhydraathuishouding geven een verhoogde kans op het krijgen van zwangerschapsvergiftiging. Suikerziekte is bijvoorbeeld zo'n ziekte. Maar ook een verminderde gevoeligheid voor insuline, die ook kan voorkomen zonder suikerziekte te hebben, is zo'n aandoening. Een goede behandeling van al bestaande suikerziekte is daarom erg belangrijk om de zwangerschap met zo weinig mogelijk problemen te laten verlopen. 

Ook afwijkingen in de vetzuurhuishouding, zoals een te hoog cholesterolgehalte in het bloed, kunnen bijdragen aan een hogere kans op zwangerschapsvergiftiging. Hierbij is het totale cholesterolgehalte van belang, maar de laatste tijd krijgen de verschillende 'soorten' cholesterol veel aandacht. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat een hoog gehalte aan HDL cholesterol een beschermend effect heeft op de bloedvaten, op het ontstaan van hart- en vaatziekten en op het ontstaan van zwangerschapsvergiftiging. LDL cholesterol heeft een ongunstig effect op de bloedvaten. Vrouwen met een slechte verhouding tussen HDL en LDL cholesterol (dus: een laag HDL- en een hoog LDL cholesterol) lopen meer risico op het ontwikkelen van hart- en vaatziekten en lopen meer risico op het krijgen van zwangerschapsvergiftiging.

Een belangrijke stofwisselingsstoornis, die waarschijnlijk bijdraagt aan problemen in de zwangerschap, is die van een stof die methionine heet. Deze zogenaamde methionine stofwisseling verloopt bij sommige vrouwen anders dan normaal, waardoor in verhoogde mate de stof homocysteïne in het bloed voorkomt (hyperhomocysteïnemie). Wanneer dit het geval is bestaat er een verhoogde kans op zwangerschapsvergiftiging, thrombose en mogelijk op latere leeftijd ook op hart- en vaatziekten. Op jonge leeftijd zal een vrouw weinig tot niets merken van deze aandoening. Alleen met gericht onderzoek kan deze aandoening worden opgespoord. In sommige gevallen kunnen genetische afwijkingen leiden tot hyperhomocysteïnemie, maar in de meeste gevallen is aanpassing van de voeding, al dan niet aangevuld met extra vitaminen (B6 en B11), voldoende om de verhoogde homocysteïnewaarde te laten normaliseren. 

Zeker in de huidige maatschappij, waarin we met z'n allen in welvaart leven, maar waarin we het met z'n allen ook steeds drukker hebben, worden afwijkingen in de stofwisseling steeds vaker gezien. Er is minder tijd om gezond te bewegen en we eten veel suikers en vetten. Hierdoor zien we de laatste jaren steeds vaker stofwisselingsproblemen, waaronder het metabool syndroom. Metabool syndroom is een moeilijk woord voor verschillende afwijkingen in de stofwisseling, die te wijten zijn een een verkeerd voedings- en bewegingsgedrag. Tot deze afwijkingen behoren de hierboven beschreven insulineongevoeligheid, lage vitaminewaarden, een hoog cholesterolgehalte (vooral LDL cholesterol), overgewicht en hoge bloeddruk. Niet alle afwijkingen hoeven aanwezig te zijn. Meestal gaat men uit van drie van deze afwijkingen om de diagnose metabool syndroom te stellen. Natuurlijk is het belangrijk te realiseren dat sommige afwijkingen erfelijk bepaald kunnen zijn.