Het antifosfolipidensyndroom kan men opsporen door bloed af te nemen.
Wanneer uit laboratoriumonderzoek blijkt dat iemand antifoslopiden
antistoffen aanmaakt boven een bepaalde waarde, spreken we van het
antifosfolipidensyndroom. Dit onderzoek dient overigens na minimaal 6 weken
te worden herhaald om de diagnose te kunnen stellen. Bij griep bijvoorbeeld
kunnen deze antistoffen zijn verhoogd, zonder dat er sprake is van een
antifosfolipiden syndroom.
Vrouwen met deze aandoening hebben een toegenomen risico op trombose.
Daarnaast vormt deze aandoening ook een probleem in de zwangerschap:
miskramen en zwangerschapsvergiftiging komen vaker voor. Het is
waarschijnlijk dat een preventieve behandeling met antistollingsmiddelen
het verloop van de zwangerschap duidelijk gunstig beïnvloedt. Met andere
woorden: door deze behandeling wordt de kans op problemen in de
zwangerschap zeer waarschijnlijk kleiner. Overigens komt het
antifosfolipiden syndroom betrekkelijk weinig voor.