Hoge bloeddruk dóór de zwangerschap is, in tegenstelling tot pre-existente
of chronische hypertensie, niet vóór de zwangerschap aanwezig, maar
ontstaat in de zwangerschap. Soms is er sprake van alleen hoge bloeddruk.
Er bevinden zich dan geen eiwitten in de urine. Er wordt in dat geval ook
wel gesproken over een geïsoleerde hypertensie. In andere gevallen kan er
pre-eclampsie ontstaan, waarbij er eiwitverlies in de urine ontstaat.
Men spreekt van hoge bloeddruk dóór de zwangerschap als de bloeddruk
na de 20e zwangerschapsweek stijgt tot een bovendruk van meer dan 140
(mmHg) of tot een onderdruk van meer dan 90 (mmHg). Als de onderdruk niet
boven de 90 komt maar wel met meer dan 15 stijgt ten opzichte van de
bloeddrukwaarde aan het begin van de zwangerschap, spreekt men ook van
zwangerschaps hoge bloeddruk. Hetzelfde geldt als de bovendruk niet boven
de 140 komt maar wel met meer dan 30 stijgt ten opzichte van de waarde aan
het begin van de zwangerschap. Bijvoorbeeld: een zwangere vrouw
heeft aan het begin van haar zwangerschap een bloeddruk van 100
bovendruk en 60 onderdruk en de verloskundige of arts
meet tijdens de 25e week 2x een onderdruk van 80. De onderdruk is
dan niet boven de 90 gestegen maar wel met meer dan 15 toegenomen. In dit
geval is er dus toch sprake van zwangerschaps hoge bloeddruk.
Zwangerschaps hoge bloeddruk kan met klachten gepaard gaan en kan ook
gevolgen hebben voor de werking van de moederkoek. Over het algemeen zijn
de gevolgen echter minder ernstig dan bij pre-eclampsie of
het HELLP-syndroom.